Bővebb ismertető
Op een zomernacht, nog niet lang geleden, schrok heer Bommel wak-ker uit zijn eerste slaap en schoot overeind.
Door het openstaande raam scheen de maan naar binnen, de gordij-nen wuifden zachtjes en er sjirpten enkele krekels; maar van beneden was het gerinkel van de telefoon te horen.
'Ik wist, dat er iets was,' prevelde hij. 'lets ongewoons, want het moet wel héél dringend zijn, wanneer men een heer op dit uur uit zijn bed beh.'
Hij schoot zijn kamerjas aan en haastte zieh de trap af naar de donke-
re hal, waar het toestel stond te bellen.
'Met Bommel,' sprak hij, de hoorn opnemend.
Aan de andere kant van de lijn klónk wat geschuifel en gehijg, en toen vroeg een holle stem: 'Bent u daar, meneer SchofFel?' 'Met Bommel,' herhaalde heer Ollie onaangenaam getroffen. 'U bent verkeerd verbonden.'
'Nee, nee, dat is het niet!' riep de stem dringend. 'Mijn tijd is geko-men. Ik voel me lang niet goed. Kunt u onmiddellijk komén? Het zijn vooral de kleintjes, waar ik me zorgen over maak. Wat moet er geheuren als ik er niet meer ben? Wie moet ze leren praten?' Deze vragen schokten de luisterende heer, dat valt te begrijpen. 'Mijn naam is Bommel!' riep hij ontsteld. 'U bent ' 'Ja, ja, SchofTel,' hernam de stem, die nu van veraf scheen te komén. 'U spreekt met Kon Gruwer, van het Krochthol, u weet wel. Kom gauw!'
Even klónk er nog een borrelend gehijg en daarop werd de verbinding verbroken.