Bővebb ismertető
L HET OUDE TUINTJE
HET IS NU AL MEER DAN VIJFTIG JAAR GELEDEN, DAT WIJ ALLEMAAL ons eigen tuintje hadden, Willem, Jan, Karel en ik. De tuintjes waren elk een paar Vierkante meter groot en lagen zij aan zij tegen den wit gekalkten blinden oostmuur van ons huis. Een pad ging er längs en aan de andere zij van dat pad was een meidoornhaag met een poort er in, een poort van heuten latwerk, waar de dagbloem over heen groeide. Dat was de toegang tot moeders tuin, die natuurlijk grooter was en veel mooier dan de onze. Altijd was het er vol van bloemen en nu,na2ooveel jaren, zie ik ze nog allemaal en ik ruik hun geuren en voel het fluweelige of het was-achtige of papierachtige van de bloemblaadjes. Achter en rechts van moeders tuin was vaders tuin, daar groeiden aardappelen, tuinboonen en kool en ook groote gele komkommers. Wij verteiden elkander met diep ontzag, dat die tuin wel zeshonderd Vierkante meters groot was en dat leek ons destijds al een zeer groote uitgestrektheid. Daarachter kwam dan de fortwal met zijn meidoornhaag en de diepe gracht. Boven op dien wal, als het gras niet al te hoog stond (ik was maar eenheel klein jongetje) kon ik aan den eenen kant de stad Grave zien, aan den anderen kant den toren van Escharen en Schayk, waar de hei was en ook nog den weg naar 's Hertogenbosch. We woonden daar heel afgelegen, er waren geen jongens om mee te speien. We moesten het dus redden met OOS viertjes, of liever met ons vijven, want vader deed graag met ons mee, met vliegers en stehen