Bővebb ismertető
De Spelonk en de Dromer_
Pag
7 Toen ik door de woestijn van deze wereld wandel-de, kwam ik op een piek waar een spelonk was. 9 Daar legde ik mij te slapen.
Ik droomde en zie, ik zag op een zekere plaats een man staan met gescheurde en vuile kleren aan (Jes. 64:6). Hij stond met zijn gezicht afgewend van zijn eigen huis (Luc. 14: 33). Hij had een boek in zijn hand en droeg een zware last op zijn rüg (Hab. 2: 6; Hand. 16: 30).
Ook merkte ik dat hij het boek opende en erin las. Terwijl hij zo stond te lezen, begon hij te huilen en te beven. Hij kon zieh niet bedwingen en inhouden en barstte uit in deze droevige woorden: 11 Wat moet ik doen? (Hand. 2:37).
In deze gemoedstoestand ging hij naar huis. Hij hield zieh in zo lang hij kon, opdat zijn vrouw en kinderen niet zouden merken wat hem kwelde. Hij kon echter niet lang zwijgen, omdat zijn verdriet meer en meer toenam.
Daarom maakte hij al snel zijn vrouw en kinderen deelgenoot van zijn gemoedstoestand en zei tegen hen: Mijn geliefde vrouw en mijn kinderen, uit mij voortgekomen, ik, uw wäre vriend, ben in mijzelf geheel verloren . De oorzaak daarvan is het feit dat er zo'n zware last op mij ligt. Bovendien weet ik heel zeker dat onze stad met vuur van de hemel verbrand zal worden.
Bij deze vreselijke ramp zullen mijn geliefde vrouw en ik, en ook jullie mijn lieve kinderen op een zeer eilendige manier ten onder gaan, tenzij wij een manier vinden, wat ik nu nog niet kan zien, om hieraan te ontkomen en hiervan verlost te zijn. Zijn gezin verbaasde zieh hierover ten zeerste. Niet omdat ze geloofden dat het waar was wat hij zei, maar omdat ze dachten dat zijn verstand aan-getast was.
Ze hoopten daarom maar dat zijn verstand, waar-van ze dachten dat het ontregeld was, weer zou genezen door de slaap. Het liep immers ook al tegen de avond.
Ze brachten hem dan ook snel naar bed, maar in plaats van te slapen lag hij de hele nacht te züchten en te huilen.
Toen de morgen aangebroken was wilden zij weten hoe het met hem ging, maar hij zei: Het gaat steeds slechter. Hij begon weer net zo tegen hen te praten als tevoren.
Maar zij wilden er niet naar luisteren. Ze waren Pag van mening dat ze zijn vreemde gedrag zouden kunnen uitdrijven door hem stuurs en nors te be-handelen. Nu eens begonnen ze hem te bespotten of op hem te scheiden, dan weer lieten ze hem gaan zonder zieh om hem te bekommeren. Hij begaf zieh dan naar zijn kamer om daar voor hen te bidden en zijn medelijden met hen te tonen, als ook om te klagen over zijn eigen elllende. Zo nu en dan ging hij alleen in het veld wandelen. Dan liep hij te lezen of te bidden. Zo bracht hij steeds maar zijn dagen door.
Eens zag ik hem in het veld wandelen en als ge-
woonlijk las hij in zijn boek. Plotseling kreeg hij
het heel benauwd en terwijl hij las barstte hij uit in
dezelfde droevige woorden als eerder:
Wat moet ik doen om zalig te worden? (Hand.
16:30).
Ook zag ik dat hij om zieh heen keek, alsof hij op de vlucht wilde slaan. Maar hij bleef nog staan omdat hij, naar ik vermoedde, niet wist welke kant hij op moest gaan.
Daarna zag ik een man, genaamd Evangelist, die 13 op hem afkwam en hem vroeg: Waarom huilt u zo? Mijnheer antwoordde hij, ik begrijp uit het boek dat ik in mijn handen heb, dat ik veroordeeld ben om te sterven en om daarna voor het gericht te komen (Hebr. 9:27). Ik ben van mening dat ik nog onwillig ben voor het eerste (Job 16:21,22) en dat ik onbekwaam ben tot het laatste. (Ezech. 22:14). Daarop zei Evangelist: Hoe bedoelt u dat, dat u niet gewillig bent om te sterven? Dit leven gaat immers gepaard met zoveel eilende?
De man antwoordde: Omdat ik bang ben dat ik door de last die ik op mijn rug draag, dieper zal vallen dan het graf, dat ik zal Valien in de vuurpoel van de hei (Jes. 30:33). En, mijnheer, als ik al bang moet zijn om in de gevangenis terecht te komen, hoeveel te meer zal ik dan bang zijn voor het oordeel en de straf. En omdat ik aan deze dingen denk, moet ik zo schreeuwen. Toen zei Evangelist: Als u zieh zo voelt, waarom Staat u dan stil?
Hij antwoordde: Omdat ik niet weet waar ik naar
toe moet gaan. Toen gaf hij hem een perkamenten
rol, waarop geschreven stond:
Vlied de toekomende toorn (Matth. 3:7).
De man las daarom in deze rol en bedroefd keek