Bővebb ismertető
De oorlog van 1914 heb ik niet meegemaakt. Ik bedoel de modderige loopgraven, de vochtigheid die tot in je botten door-dringt, de zwarte ratten met hun v^^intervacht die tussen het on-definieerbare afval heen en weer Schieten, de geur van kerftabak en siecht begraven uitwerpselen, dat ailes overdekt door een ef-fen metaalkleurige hemel die zieh met vaste tussenpozen laat leegstromen alsof God nooit zou ophouden de eenvoudige sol-daat te kwellen.
Die oorlog heb ik niet gekend.
Op de dag van de mobiUsatie heb ik mijn dorp in de Dordog-ne verlaten. In de stilte van de vroege morgen heeft mijn groot-vader mijn vlucht uit het ouderlijk huis gedekt om zinloze emo-ties te vermijden. Ik heb mijn bepakking op de gammele kar van de oude André geladen. Op het ritme van de schommelende kont van zijn bruine merrie zijn we de weg naar Lalinde ingesla-gen. Pas toen we afdaalden naar het station zei hij tegen me: «Blijf niet te lang weg m'n jongen, het wordt een duivels mooi jaar voor eekhoorntjesbrood.»
In Lalinde lieten een stuk of tien kleine snorrenmannetjes in hun zondagse jekkers zieh in de armen sluiten door rood aange-lopen snotterende moeders. Terwijl ik toekeek hoe de oude André wegreed kwam er een jongeman met bolle wangen en
[7]