Bővebb ismertető
Meester Jan Jagersma zocht en vond een geschikte piek bij het raam. Dat was niet moeilijk: er namen maar twee passagiers plaats op de houten banken van de treincoupe. Tegenover Jan Jagersma was namelijk zijn vrouw Akke bezig zieh te nestelen. Toen aan haar bedrijvigheid van het plooien van haar rokken een einde was gekomen, zei ze: 'Zo! Nu kunnen we om mij vertrek-ken!'
Jan bestudeerde zijn sigarenzakje, haalde met een zwierige zwaai zijn horloge uit zijn vestzak en Steide vast, dat er nog enige minuten geduld moest worden geoefend.
Akke knikte ongeduldig, maar verplaatste haar belangstelling naar de opengaande coupedeur. Er kwam een man binnen met een rode zakdoek om zijn nek. Zijn pet was trouwens ook van die kleur, als je goed keek. Verder zag hij er maar sjofel uit, de mouwen van zijn jasje waren rafelig. Met een zucht ging hij op het andere eind van Akke haar bank zitten en had alleen maar oog voor het Sneker perron. Zijn medepassagiers toonde hij een glimmende rüg en een stekelig achterhoofd. Jan ving de ogen van Akke. 'Wat een gekke kerel!' las hij erin. 'Wie gaat er nou op reis met zulke haveloze kleren aan?'
Jan vond ook, dat die man best wat netter voor de dag had kunnen komen. Tegelijk Streek hij over zijn eigen zondagse jasje. Gave stof! Zijn hand ging vlug over het smetteloos witte frontje onder zijn kin. Hij zat erbij als een heer. Als straks die man hem met 'Dominee' zou aanspreken, zou hem dat niet verbazen.
Met een schok kwam de trein in beweging. Meteen verloren Jan en Akke hun belangstelling voor kleding en medereiziger: ze reden!
De huizen naast de baan gleden hoe langer hoe harder voorbij en al gauw schoof de trein door de weilanden. Het verse groen
233