Bővebb ismertető
Hoofdstuk 1
Verbijsterd staarde Catherine Parrish over het rood-wit geblokte tafelkleedje naar haar tafelgenoot. Haar grijze ogen gaven te kennen dat ze geschokt w^as. Het leek alsof haar hart stil was blijven staan. Ze was lijkbleek geworden. En de hand waarmee ze in haar koffie roerde, was in die beweging blijven steken. Ze hoopte alleen maar dat haar mond niet open stond.
Bijna de helft van haar dertig levensjaren had ze op de een of andere manier van dit ogenblik gedroomd. Toen ze zestien was, had ze prachtige scenario's verzonnen over diamanten en hartstochtelijke aanzoeken; tijdens de ongelukkige huwelijksjaren had ze gefantaseerd over hoe-het-allemaal-had-kunnen-zijn; toen het lot op tragische wijze ingreep en haar haar vrijheid teruggaf, had ze allerlei onmogelijk romantische dromen gekoesterd. En nu, nadat ze zichzelf had voorgenomen niet meer dan een goede vriendin van hem te zijn, zat hij daar achter zijn kopje espresso en sprak de woorden die ze haar hele leven al had willen hören.
Catherine wist niet of ze hem moest omhelzen of slaan. Ze deed echter het een noch het ander.
'Waarom.^' zei ze inplaats daarvan terwijl ze naar haar koffie keek. Ze legde het lepeltje omzichtig neer, zodat er geen vlekken op het tafelkleed konden komen.
De stem van de man tegenover haar klonk enigszins ongeduldig. Catherine hoefde niet naar hem te kijken om te weten dat hij met zijn hand door zijn haar Streek. 'Heb je dan helemaal niet naar me geluisterd, Catherine?'
'Niet goed genoeg, denk ik.' Ze bracht het kleine kopje naar haar lippen, maar hield haar blikken veiligheids-halve nog steeds op het tafeltje gericht. Tot haar opluch-