Bővebb ismertető
I. LENTEGELUK
Pezen en spieren tot scheurcns toe gespannen, schoot Hans de Torenkraai (2) door het luchtruim.
Maar hoe snel hij zijn vieugels ook bewoog, toch kon hij zieh niet losmaken van dien onver-moeiden vervolger, die, nadat hij den dapperen kraaientroep uit elkander had gejaagd, maar steeds bőven Hans bleef zweven, met een enkelen wiek-slag den afstand, dien de kraai met moeite had weten te winnen, heroverend.
Hans begreep, dat, wanneer hij teekenen van vermoeidheid zou geven, de zee-arend zieh op hem zou werpen; ook wist hij, dat de strijd niet lang meer kon duren, want na de uiterste krachts-inspanning voelde hij een loomheid in zijn vieugels, die alleen nog door den doodsangst voor dien grooten vogel met zijn gekromden snavel en als vuisten gebalde klauwen, kon worden overwonnen.
Plotseling herleeft bij Hans de hoop op redding, want in de verte, aan den rand van de groote vlakte, waarboven de zee-arend (i 10) en hij de wedvlucht om het leven houden, verrijzen tusschen het geboomte eenige huizen. En vlugger nog flip-flappen zijnwieken en sneller schiet hij door de lucht in de richting van een kerktoren, waarin hij een schuilplaats denkt te vinden.
Maar dan ziet Hans, hoe de bruine roover de vieugels tegen het lichaam drukt en als een steen door de lucht komt aansuizen. Reeds strekt hij den hals om Hans te grijpen, doch deze weet door een plotselinge wending den aanval te ont-wijken, laat zieh als een kogel vallen, terwijl de arend hem voorbij schiet, en flitst juist op het oogenblik, dat zijn vervolger opnieuw den kop met den gevaar-lijken snavel vooruitstrekt om hem neer te stooten, tusschen het steenen kantwerk van den kerkgevel en valt uitgeput op een plaats, waar de zee-arend hem met kan bereiken. Deze vervolgt dadelijk zijn reis naar het hooge Noorden, zijn geboorteland, zieh haastende om zoo snel mogelijk de omgeving der menschen te ontvluchten.
Na zieh hersteld te hebben van de inspannende jacht, waarbij hij op het kantje af