Bővebb ismertető
Inleiding Terug naar het licht
Tussen de kassen waar ik opgroeide, waren de winters streng. Sneeuw hoopte zich metershoog op tegen het glas. We namen een aanloop en sprongen erin. Onder de sneeuw waanden we ons in een iglo.We leefden in een wit-te wereld.
We waren drie Zwetbewoners die bezig waren de wereld te ontdekken. Jacco, mijn buurjongen van twee huizen ver-derop, zijn zusje Maartje, op wie ik verliefd was, en ik. We speelden de hele dag buiten. Kou voelden we niet. Naar school konden we niet, de weg naar school was onbegaan-baar. Het ijs werd 's avonds verlicht door de sterke lampen. Daar dronken we warme chocolademelk tussen de volwas-senen die koffie dronken en praatten over de hoge gasprijs. De kinderen ijshockeyden of draaiden een pirouette.
De verandering in ons onbezorgde vrije leventje begon op de avond dat ik Maartje meelokte.'Bij hetVlietje staat de pony van Zwinkels nog buiten,' vertelde ik haar. Ze ging mee. Bij hetVlietje vertelde ik dat het een smoes was. 'Ik wilde je de lucht laten zien maar je zou niet meegegaan zijn ais ik dat had gezegd.' We keken, liggend naast elkaar, naar de maan en sterren.We zochten de sterkste lichtpuntjes. In de verte hoorden we Jacco roepen.
De avond daarna hoefde ik geen smoes te verzinnen om Maartje mee te laten gaan. Het sneeuwde. De witte vlokken prikten in onze ogen. Jacco riep niet meer. Dat had voor ons een aanwijzing moeten zijn.