Bővebb ismertető
voorwoord
Het eerste algemene leerboek in het Hongaars, de Hon-gaarse Encyclopédie, verscheen in 1655 in Utrecht. De auteur János Apáczai Tsere was afkomstig uit Zevenbergen (Transsylvanië). Hij studeerde onder meer in Utrecht en leerde daar ook zijn toekomstige vrouw kennen. Zijn werk kan als symbool dienen voor de be-trekkingen tussen Utrecht en Hongarije. In de loop der eeuwen studeerden vele Hongaren in Utrecht. Echter, van Hongaarse kunstenaars die enige tijd in Holland vertoefden, zoals Jacob Bogdány (overl. 1724), Adam Mányoki (overl. ca.l747) of Tobias Stranover (overl. ca.l754), is niet bekend of zij ook in Utrecht verbleven. De betrekkingen tussen de oude stad aan de Kromme-Rijn en het land aan de Donau, komén niet zo zeer tot uitdrukking in voortbrengselen van de beeidende kunst, wel in die van het geschreven woord. Deze tentoonstelling vermag het publiek te tonen, dat de vroege Nederlandse schilderkunst onder Hongaarse kunstverzamelaars begunstigers heeft gevonden. In de geschiedenis vormt het in kaart brengen van het collec-tioneren van Nederlandse schilderijen en beeiden een belangrijk hoofdstuk. De tentoonstelling in Utrecht levert hieraan een bijdrage en is tegelijkertijd een bewijs van de betrekkingen die van oudsher tussen Utrecht en Hongarije bestaan.
Miklós Mojzer directeur generaal van het Museum voor Schone Künsten in Boedapest
Vijftig kilometer ten westen van Boedapest aan de oever van de Donau ligt Esztergom, een voormalige hoofdstad van Hongarije. Tot in onze dagen is het de zetel van de hoogste leider van de kathoheke kerk, de primaat. De Duitse naam voor Esztergom is Gran. In 1875 maakte aartsbisschop János Simor, primaat van Hongarije, zijn collectie toegankelijk voor het publiek. Na de eerste wereldoorlog werd deze collectie uitge-breid met de verzameling van bisschop Arnold Ipolyi, de eerste kunsthistoricus van het land, en verder met kunstwerken uit de nalatenschap van het uit Napels af-komstige geslacht van de hertogen van San Marco dat woonachtig was geweest in Bad Ischl. De meest belangwekkende stukken van het Museum voor Christehjke Kunst zijn de overgebleven resten van middeleeuwse triptieken en de Doodsliist van de Heer. Het museum herbergt het grootste aantal Vlaamse wan-dkleden en kleine meesters van de Italiaanse Renaissance in Hongarije. Ook de verzamelingen ceramiek en oosterse tapijten zijn van hoge kwahteit. In de verzameling Nederlandse schilderijen zijn de ge-
bruikelijke grote namen niet vertegenwoordigd. Van Memling is maar één schilderijtje, een devotie-paneeltje, aanwezig. Het naar alle waarschijnlijkheid meest waar-devolle schilderij van de collectie Nederlandse werken is de Verloving van de Heilige Agnes van een Utrechtse meester uit de late 15de eeuw. De Staat waarin het ver-keert laat vervoer niet toe. Andere 'parels' van de vroege Nederlandse schilderkunst die voor belangstellenden een reis naar Esztergom de moeite waard maken, zijn: een werk dat in het atelier van Goossen van der Wey-den werd vervaardigd en dat scenes uit het leven van Sint Joris in beeld brengt, de votieftafel van Jacob Cor-nelisz. van Amsterdam, het Sint Ursula-paneel van een Brusselse meester en de Madonna met de Rozenizrans van een meester uit Brügge.
Het Museum voor Christelijke Kunst in Esztergom re-kent het tot zijn taak kunstschatten te tonen in het land van herkomst. Daarom leent het -zij het met angst en schroom- negen schatten uit de collectie uit ten be-hoeve van de tentoonstelling in Utrecht. Dit gedeelte-lijk uit dankbaarheid voor de blijvende geestelijke on-dersteuning van het Rijksmuseum Het Catharijnecon-vent, en voorts om degenen die niet in Staat zijn om naar Esztergom te komén, de gelegenheid te geven deze kunstschatten te zien en zieh ervan te overtuigen dat deze tastbare herinneringen aan het geloof en aan het hoge artistieke peil van de vroege Nederlandse bescha-ving met veel liefde in Hongarije gekoesterd worden.
Pál Cséfalvay directeur van het Museum voor Christelijke Kunst in Esztergom