Bővebb ismertető
Woord vooraf
Op een winderige zondag aan het einde van de jaren zestig haalde ik mijn ouders over een uitstapje te maken naar Ter Heide, een kust-plaatsje in het Westland. Hoewel ik pas een jaar of negen oud was, speurde ik al een tijdje naar het standbeeld van Maerten Tromp. Ik had het standbeeld van Michiel de Ruyter in Vlissingen gezien, en dat van Piet Hein in Delfshaven. Vergeefs zocht ik echter Tromps standbeeld in zijn geboorteplaats Brielle. Daar bleek alleen een gedenksteen in zijn huis aangebracht. Ook in Tromps woonplaatsen Rotterdam en Den Haag vond ik geen enkel monument voor hem. Ergens moest dat toch staan, daar was ik van overtuigd, want Tromp was naar mijn mening geen minder belangrijke zeeheld dan De Ruyter en Hein. Misschien herbergdeTer Heide het wel, want daar was Tromp in 1653 tijdens een zeeslag tegen de Engelsen gesneuveld. Op dus naar die plaats.
De zondagmiddag hep uit op een wandeling längs het strand, de voornaamste attractie van Ter Heide. Een monument was er in geen veiden of wegen te bekennen. In het zand vond ik twee blokkén hout, die ik in arren moede besloot mee te nemen. Met kinderlijke fantasie Steide ik me voor dat ze afkomstig waren van Tromps schip Brederode, waarop hij heldhaftig vechtend was gesneuveld.
Het volgende jaar zag ik in de Oude Kerk in Delft het prachtige praalgraf van Maerten Tromp. Het Steide mij voor een nieuw raadsel. Waar was de graftombe van zijn eveneens beroemde zoon Cornelis.^ Pas veel later zou ik lezen dat zijn stoffelijk overschot anoniem in de graf-kelder voor het monument was bijgezet. Voor Cornelis Tromps nage-dachtenis was dus nog veel minder gedaan dan voor die van zijn vader.
Toen ik in mei 2000 bijna aan het slot van dit boek was gekomen, liep ik op de Rotterdamse Coolsingel längs het stadhuis. Ik besloot even naar binnen te gaan, omdat ik ergens meende te hebben gelezen dat er ooit een borstbeeld van Maerten Tromp aan de gemeente was aangebo-